We zijn inmiddels in de Orkney’s, maar deze blog gaat nog even terug naar onze avonturen op Vestmannaeyjar (Westman Islands). Onze tussenstop tussen IJsland (Reykjavík) en de Orkney’s.
Na ons vertrek uit Reykjavík (28 juli) zeilen we om het ruige schiereiland Reykjanes heen, waar in 2025 nog een vulkaan uitbarsting bij Grindavík was. Terwijl we de kapen ronden, hangt er een sterke zwavellucht en stijgt op verschillende plekken witte rook op. Op de Vedur website zie je precies waarom: dit is het gebied waar de Amerikaanse en Europese platen uit elkaar trekken. Aardbevingen tot kracht 3 zijn hier heel normaal, al hebben wij er in Reykjavík niets van gemerkt. Ook de magmakamer bij Svartsengi — waar we eerder langs reden en nu weer voorbij varen — zit vol lava. Een tikkende tijdbom. Fascinerend om te zien, maar het voelt toch prettig om het achter ons te laten.
We zijn wel een beetje weemoedig: de Isuma ligt nog in Reykjavík en vaart straks door naar Groenland. Fantastisch plan, maar voor ons niet haalbaar. Na vijf weken samen optrekken (waarvan twee met de kids aan boord) is het ineens weer alleen wij twee. Even schakelen, maar ook weer fijn
Woensdag 29 juli doemt Vestmannaeyjar langzaam op aan de horizon: een archipel van 15 eilanden, soms niet meer dan een rots. Op het grootste eiland, Heimaey, wonen zo’n 4.400 mensen én 4 miljoen papegaaiduikers. De naam van de eilanden verwijst naar Ierse slaven (toen westmannen genaamd) die hier rond 870 na Christus naartoe vluchtten — een ruig stukje geschiedenis dat nog steeds in de naam voortleeft.
Rond 10.30 uur varen we de haven van Heimaey binnen. Eerst passeren we de indrukwekkende klif Heimaklettur, waar we even achter schuilen, om het zeil te strijken. Achter de klif ligt een prachtig, verborgen kom, met een enorme grot. Later horen we dat deze kom de thuishaven was van de orka Keiko (Free Willy) en nu het natuurlijke verblijf is van twee Beluga’s uit Shanghai. Bizar en bijzonder tegelijk.
De haveningang oogt smal, vooral naast de gigantische klif. De zwarte lavasteen, aan de andere kant herinnert aan de Eldfell‑uitbarsting van 1973, toen het eiland 20% groter werd. Dankzij de vissers van Heimaey konden toen tijdig alle bewoners worden geëvacueerd en werd de lavastroom zelfs gestopt. Een grote zeeton wijst ons de veilige route langs de lava. Daarachter ligt de binnen haven, waar we als enige zeilschip aan een drijfsteiger.
Ondanks de nachtelijke oversteek trekken we woensdag meteen Heimaey in voor een wandeling door het Heljólfsdal. Het hele dal staat in het teken van Þjóðhátíð, het jaarlijkse festival waar komend weekend zo’n 10.000 IJslandse jongeren losgaan. De tribunes tegen de kliffen staan al klaar, maar tussen de voorbereidingen lopen gewoon nog wat schapen — en wij dus ook.
We klimmen de klif op en stuiten op een prachtige rotspilaar vol puffins. Hopelijk kunnen ze het feest straks waarderen, want ze zitten er middenin. Het pad bestaat uit talloze traptreden die ons de steile hellingen op helpen. Boven wacht een waanzinnig uitzicht over de hele archipel, eerst naar het zuiden, dan naar het noorden.
Onderweg komen we een jonge vrouw tegen met twee dreumesen en een hond. Ik denk: als zij dit kan, dan moet ik het ook kunnen. Maar bovenop de rots verandert het pad in losse rolsteentjes langs de steile afgronden. Roelof loopt soepel vooruit en wacht steeds geduldig. Ik moet mezelf telkens opnieuw overtuigen om door te gaan, glibberend op mijn afgesleten Lowa’s. Maar de route is zó mooi dat ik doorzet. En zodra we afdalen richting de haven — waar stevige rubber matten ineens weer grip geven — komt mijn innerlijke berggems langzaam terug.
Donderdag 30 juli, bezoeken we de Whale sanctuary, pal tegenover de haven. Hier leven Little White en Little Grey, twee beluga’s uit Shanghai. Ze zijn hun hele leven in gevangenschap geweest en traden daar op in shows. Nu probeert een toegewijd team ze een zo natuurlijk mogelijke omgeving te geven — helemaal terug naar de natuur kan helaas niet meer.
Hun toekomstige thuis is de Kletsvíkbaai, het kommetje bij de haveningang: 10 meter diep, 32.000 m² water, met een natuurlijke rotsbodem en gedempte golven. In 2019 maakten de beluga’s de enorme reis van China naar IJsland. Beide dames zijn gezond, maar omdat er aanpassingen worden gedaan aan de baai én Little White wat moeite had met wennen, verblijven ze tijdelijk (tot 2027) weer in het bassin van het bezoekerscentrum. Door een raam zien we ze rondzwemmen — mooi, maar ook een beetje dierentuinachtig. Ze trekken steeds hetzelfde rondje (zwemmend op hun rug), maar zodra er iets gebeurt in hun pool, gaan ze nieuwsgierig kijken. Toch bijzonder om ze in te echt te zien.
Als we ooit terugkomen, hoop ik ze in hun natuurlijke baai te zien.
Naast de beluga’s vangt het sanctuary ook puffins en andere zeevogels op. In augustus worden veel jonge puffins door honger uit hun hol gedreven; soms redden ze het niet en worden ze door bewoners gevonden en naar de opvang gebracht. Zo probeert heel Heimaey de kwetsbare puffinkolonies te helpen.
Tot slot zien we nog de wolffish — de “woolfish” — in een aquarium. Die aten we eerder in Ísafjörður, en op Hornvík vonden we overal hun schedels met die indrukwekkende tanden. Een mooie afsluiter van een bijzondere ochtend.
Donderdagmiddag fietsen we met onze vouwfietsjes over het “nieuwe” deel van Heimaey, gevormd door de lava van 1973. Pas nu zien we hoe dichtbij de uitbraak is geweest: het oude zwembad ligt 10 meter onder de lava, 400 huizen zijn verdwenen en de rest van het dorp lag onder vier meter lavastof. Het oude stafkerkje uit 1170 is in 2000 als replica teruggeplaatst — een klein, mooi eerbetoon.
We rijden langs de Eldfell‑vulkaan en het vliegveld en krijgen zo een beter beeld van het eiland. ’s Avonds eten we heerlijk bij Tanginn, pal aan de haven. Alleen jammer dat er walvissteak op de kaart staat, recht tegenover het Whale Sanctuary… walvissen zie ik toch echt liever levend dan op mijn bord.
Inmiddels is het heel druk met jongeren. In de avond liggen we in de haven eerste rang voor het vuurwerk wat in Heimaey wordt afgestoken om alle festiviteiten te beginnen. Het heeft iets weg van Oerol op Terschelling, maar dan met name gericht op jong publiek.
Op vrijdag 31 juli liggen we met veel wind aan lager wal. Gelukkig beschermt een enorm vissersschip ons grotendeels, maar af en toe tunnelen er gigantische windvlagen langs de kliffen de haven in. We zijn druk bezig met stootwillen en planken om te voorkomen dat alles kapot schuurt tegen de betonnen ponton. Tussendoor lezen en bloggen we het Reykjavík‑deel met de kids, maar in de middag willen we toch even naar buiten.
We wandelen opnieuw richting het Herjólfsdal, waar het festival wordt opgebouwd. We proberen bij oude historische overblijfselen te komen, maar daarvoor moeten we dwars door een golfveld waar op dat moment wordt afgeslagen — levensgevaarlijk dus. We lopen eromheen en zien uiteindelijk toch de Olifantsrots.
’s Avonds gaan we opnieuw terug naar het dal voor het grote vreugdevuur. Om 23.00 uur begint het spektakel met vuurwerk vanaf de kliffen waar we eerder liepen — het lijkt net spuwende lava. Een lichtkogel vliegt richting de houten stapel, er wordt afgeteld en dan ontvlamt alles in één enorme vuurpluim. Wit geklede mannen en vrouwen rennen met emmers brandstof om het vuur aan te wakkeren. Even later lopen ze de berg af, terwijl achter hen hun meesterwerk instort en nog één laatste vurige wolk de lucht in schiet. Een indrukwekkend einde van de dag.
Zaterdag 1 augustus zoeken we alweer naar een weergaatje. Even denken we aan de Hebriden als bestemming, maar dat wordt te veel haasten. Dus besluiten we rechtstreeks naar de Orkney’s te varen — nieuw terrein voor ons. We doen vast boodschappen voor een overtocht van vier dagen.
In de middag is Roelof ineens druk met mijn verjaardagskado uit 2025: onze 2-persoons-vouw‑kano. Voor ik het weet ligt hij opgeblazen klaar, peddels ernaast, en krijg ik de vraag: “Ga je mee naar de grot?” De wind giert nog door de haven, maar de kano houdt zich verrassend goed. Vol enthousiasme peddelen we naar de Klettsvíkbaai, langs de hoge kliffen met nestelende meeuwen, en kijken rond in de baai, die het natuurlijke thuis moet worden van de beluga’s.
Daarna varen we de grot in. Binnen ligt een vlotje met twee DJ’s die keiharde muziek draaien — vast onderdeel van het festival. Het ziet er hilarisch uit: een lege grot, een vlot met hippe beats, en overal meeuwen die druk hun jongen voeren. Na een rondje langs de verse lavavelden peddelen we terug naar de haven. Dan moet de kano natuurlijk weer droog ingepakt worden, maar het was een heerlijk tochtje.
Zondag 2 augustus worden we wakker en checken meteen de weerapp. “We gaan vandaag,” zegt Roelof. Een oversteek van 550 mijl, vier dagen op zee. We zijn er eigenlijk klaar voor: Westman‑eilanden uitgebreid gezien, nog even een vers broodje halen, customs bellen dat we IJsland verlaten en een vaarplan indienen voor het Verenigd Koninkrijk. Een goede keuze, want er komen twee enorme cruiseschepen binnen — tijd om te vertrekken.
Het belooft een mooie oversteek te worden en we hebben zin in de volgende bestemming. Maar zoals Roelof in de vorige blog al schreef: het werd uiteindelijk een iets intensievere tocht dan gedacht…



























































