Het vreugdevuur van Vestmannaeyjar

We zijn inmiddels in de Orkney’s, maar deze blog gaat nog even terug naar onze avonturen op Vestmannaeyjar (Westman Islands). Onze tussenstop tussen IJsland (Reykjavík) en de Orkney’s.

Na ons vertrek uit Reykjavík (28 juli) zeilen we om het ruige schiereiland Reykjanes heen, waar in 2025 nog een vulkaan uitbarsting bij Grindavík was. Terwijl we de kapen ronden, hangt er een sterke zwavellucht en stijgt op verschillende plekken witte rook op. Op de Vedur website zie je precies waarom: dit is het gebied waar de Amerikaanse en Europese platen uit elkaar trekken. Aardbevingen tot kracht 3 zijn hier heel normaal, al hebben wij er in Reykjavík niets van gemerkt. Ook de magmakamer bij Svartsengi — waar we eerder langs reden en nu weer voorbij varen — zit vol lava. Een tikkende tijdbom. Fascinerend om te zien, maar het voelt toch prettig om het achter ons te laten.

We zijn wel een beetje weemoedig: de Isuma ligt nog in Reykjavík en vaart straks door naar Groenland. Fantastisch plan, maar voor ons niet haalbaar. Na vijf weken samen optrekken (waarvan twee met de kids aan boord) is het ineens weer alleen wij twee. Even schakelen, maar ook weer fijn

Woensdag 29 juli doemt Vestmannaeyjar langzaam op aan de horizon: een archipel van 15 eilanden, soms niet meer dan een rots. Op het grootste eiland, Heimaey, wonen zo’n 4.400 mensen én 4 miljoen papegaaiduikers. De naam van de eilanden verwijst naar Ierse slaven (toen westmannen genaamd) die hier rond 870 na Christus naartoe vluchtten — een ruig stukje geschiedenis dat nog steeds in de naam voortleeft.

Rond 10.30 uur varen we de haven van Heimaey binnen. Eerst passeren we de indrukwekkende klif Heimaklettur, waar we even achter schuilen, om het zeil te strijken. Achter de klif ligt een prachtig, verborgen kom, met een enorme grot. Later horen we dat deze kom de thuishaven was van de orka Keiko (Free Willy) en nu het natuurlijke verblijf is van twee Beluga’s uit Shanghai. Bizar en bijzonder tegelijk.

De haveningang oogt smal, vooral naast de gigantische klif. De zwarte lavasteen, aan de andere kant herinnert aan de Eldfell‑uitbarsting van 1973, toen het eiland 20% groter werd. Dankzij de vissers van Heimaey konden toen tijdig alle bewoners worden geëvacueerd en werd de lavastroom zelfs gestopt. Een grote zeeton wijst ons de veilige route langs de lava. Daarachter ligt de binnen haven, waar we als enige zeilschip aan een drijfsteiger.

Ondanks de nachtelijke oversteek trekken we woensdag meteen Heimaey in voor een wandeling door het Heljólfsdal. Het hele dal staat in het teken van Þjóðhátíð, het jaarlijkse festival waar komend weekend zo’n 10.000 IJslandse jongeren losgaan. De tribunes tegen de kliffen staan al klaar, maar tussen de voorbereidingen lopen gewoon nog wat schapen — en wij dus ook.
We klimmen de klif op en stuiten op een prachtige rotspilaar vol puffins. Hopelijk kunnen ze het feest straks waarderen, want ze zitten er middenin. Het pad bestaat uit talloze traptreden die ons de steile hellingen op helpen. Boven wacht een waanzinnig uitzicht over de hele archipel, eerst naar het zuiden, dan naar het noorden.
Onderweg komen we een jonge vrouw tegen met twee dreumesen en een hond. Ik denk: als zij dit kan, dan moet ik het ook kunnen. Maar bovenop de rots verandert het pad in losse rolsteentjes langs de steile afgronden. Roelof loopt soepel vooruit en wacht steeds geduldig. Ik moet mezelf telkens opnieuw overtuigen om door te gaan, glibberend op mijn afgesleten Lowa’s. Maar de route is zó mooi dat ik doorzet. En zodra we afdalen richting de haven — waar stevige rubber matten ineens weer grip geven — komt mijn innerlijke berggems langzaam terug.

Donderdag 30 juli, bezoeken we de Whale sanctuary, pal tegenover de haven. Hier leven Little White en Little Grey, twee beluga’s uit Shanghai. Ze zijn hun hele leven in gevangenschap geweest en traden daar op in shows. Nu probeert een toegewijd team ze een zo natuurlijk mogelijke omgeving te geven — helemaal terug naar de natuur kan helaas niet meer.
Hun toekomstige thuis is de Kletsvíkbaai, het kommetje bij de haveningang: 10 meter diep, 32.000 m² water, met een natuurlijke rotsbodem en gedempte golven. In 2019 maakten de beluga’s de enorme reis van China naar IJsland. Beide dames zijn gezond, maar omdat er aanpassingen worden gedaan aan de baai én Little White wat moeite had met wennen, verblijven ze tijdelijk (tot 2027) weer in het bassin van het bezoekerscentrum. Door een raam zien we ze rondzwemmen — mooi, maar ook een beetje dierentuinachtig. Ze trekken steeds hetzelfde rondje (zwemmend op hun rug), maar zodra er iets gebeurt in hun pool, gaan ze nieuwsgierig kijken. Toch bijzonder om ze in te echt te zien.
Als we ooit terugkomen, hoop ik ze in hun natuurlijke baai te zien.

Naast de beluga’s vangt het sanctuary ook puffins en andere zeevogels op. In augustus worden veel jonge puffins door honger uit hun hol gedreven; soms redden ze het niet en worden ze door bewoners gevonden en naar de opvang gebracht. Zo probeert heel Heimaey de kwetsbare puffinkolonies te helpen.

Tot slot zien we nog de wolffish — de “woolfish” — in een aquarium. Die aten we eerder in Ísafjörður, en op Hornvík vonden we overal hun schedels met die indrukwekkende tanden. Een mooie afsluiter van een bijzondere ochtend.

Donderdagmiddag fietsen we met onze vouwfietsjes over het “nieuwe” deel van Heimaey, gevormd door de lava van 1973. Pas nu zien we hoe dichtbij de uitbraak is geweest: het oude zwembad ligt 10 meter onder de lava, 400 huizen zijn verdwenen en de rest van het dorp lag onder vier meter lavastof. Het oude stafkerkje uit 1170 is in 2000 als replica teruggeplaatst — een klein, mooi eerbetoon.

We rijden langs de Eldfell‑vulkaan en het vliegveld en krijgen zo een beter beeld van het eiland. ’s Avonds eten we heerlijk bij Tanginn, pal aan de haven. Alleen jammer dat er walvissteak op de kaart staat, recht tegenover het Whale Sanctuary… walvissen zie ik toch echt liever levend dan op mijn bord.

Inmiddels is het heel druk met jongeren. In de avond liggen we in de haven eerste rang voor het vuurwerk wat in Heimaey wordt afgestoken om alle festiviteiten te beginnen. Het heeft iets weg van Oerol op Terschelling, maar dan met name gericht op jong publiek.

Op vrijdag 31 juli liggen we met veel wind aan lager wal. Gelukkig beschermt een enorm vissersschip ons grotendeels, maar af en toe tunnelen er gigantische windvlagen langs de kliffen de haven in. We zijn druk bezig met stootwillen en planken om te voorkomen dat alles kapot schuurt tegen de betonnen ponton. Tussendoor lezen en bloggen we het Reykjavík‑deel met de kids, maar in de middag willen we toch even naar buiten.

We wandelen opnieuw richting het Herjólfsdal, waar het festival wordt opgebouwd. We proberen bij oude historische overblijfselen te komen, maar daarvoor moeten we dwars door een golfveld waar op dat moment wordt afgeslagen — levensgevaarlijk dus. We lopen eromheen en zien uiteindelijk toch de Olifantsrots.

’s Avonds gaan we opnieuw terug naar het dal voor het grote vreugdevuur. Om 23.00 uur begint het spektakel met vuurwerk vanaf de kliffen waar we eerder liepen — het lijkt net spuwende lava. Een lichtkogel vliegt richting de houten stapel, er wordt afgeteld en dan ontvlamt alles in één enorme vuurpluim. Wit geklede mannen en vrouwen rennen met emmers brandstof om het vuur aan te wakkeren. Even later lopen ze de berg af, terwijl achter hen hun meesterwerk instort en nog één laatste vurige wolk de lucht in schiet. Een indrukwekkend einde van de dag.

Zaterdag 1 augustus zoeken we alweer naar een weergaatje. Even denken we aan de Hebriden als bestemming, maar dat wordt te veel haasten. Dus besluiten we rechtstreeks naar de Orkney’s te varen — nieuw terrein voor ons. We doen vast boodschappen voor een overtocht van vier dagen.

In de middag is Roelof ineens druk met mijn verjaardagskado uit 2025: onze 2-persoons-vouw‑kano. Voor ik het weet ligt hij opgeblazen klaar, peddels ernaast, en krijg ik de vraag: “Ga je mee naar de grot?” De wind giert nog door de haven, maar de kano houdt zich verrassend goed. Vol enthousiasme peddelen we naar de Klettsvíkbaai, langs de hoge kliffen met nestelende meeuwen, en kijken rond in de baai, die het natuurlijke thuis moet worden van de beluga’s.
Daarna varen we de grot in. Binnen ligt een vlotje met twee DJ’s die keiharde muziek draaien — vast onderdeel van het festival. Het ziet er hilarisch uit: een lege grot, een vlot met hippe beats, en overal meeuwen die druk hun jongen voeren. Na een rondje langs de verse lavavelden peddelen we terug naar de haven. Dan moet de kano natuurlijk weer droog ingepakt worden, maar het was een heerlijk tochtje.

Zondag 2 augustus worden we wakker en checken meteen de weerapp. “We gaan vandaag,” zegt Roelof. Een oversteek van 550 mijl, vier dagen op zee. We zijn er eigenlijk klaar voor: Westman‑eilanden uitgebreid gezien, nog even een vers broodje halen, customs bellen dat we IJsland verlaten en een vaarplan indienen voor het Verenigd Koninkrijk. Een goede keuze, want er komen twee enorme cruiseschepen binnen — tijd om te vertrekken.

Het belooft een mooie oversteek te worden en we hebben zin in de volgende bestemming. Maar zoals Roelof in de vorige blog al schreef: het werd uiteindelijk een iets intensievere tocht dan gedacht…

Piep zei de stuurautomaat… en toen deed ie het niet meer

Op 2 augustus vertrekken we in het begin van de middag vanuit Vestmannaeyjar (of in het Engels de Westman Islands), nadat we nog even langs zijn gelopen bij de Anna Caroline, die rond het middaguur vanuit Reykjavik aankwamen. We krijgen nog wat tips over de Orkney eilanden (erg handig zo’n zeilende reisgids die overal net is, als wij er ook zijn, thanks Janneke en Wietze!).

Bij het vertrek is er vrijwel geen wind, dat is fijn want we lagen aan lagerwal en als het dan poeiert is het lastig loskomen. De Noorse boot de Isbjorn die een dag voor ons is vertrokken, werd daarom met een sleepboot van de steiger getrokken en natuurlijk net toen er helemaal geen wind was… Maar voor ons dus geen probleem en we varen eenvoudig weg met een achterspring. Bij het uitvaren van de havenbaai varen we weer tussen de imposante hoge lavakliffen door, die hier loodrecht uit zee omhoog komen.

Het is een prachtig gezicht om Vestmannaeyjar achter ons te zien verdwijnen en de gletsjer op IJsland in de verte te zien. Het voelt nu ook echt wel alsof de terugtocht definitief is begonnen. Na een paar mijl begint het te waaien en kunnen we de zeilen hijsen en de motor uitzetten. We zetten de code-0 (een extra groot voorzeil) en zeilen de eerste dag met een snelheid tussen de 5 en 7 kts.

‘s Nachts gaat de motor een paar uur aan, maar daarna kunnen we weer zeilen. We zien dolfijnen en een enorme kabellegger, maar verder is het verlaten op zee. IJsland verdwijnt langzaam uit zicht. Aan het eind van de middag op 3 aug worden de golven hoger terwijl de wind steeds verder afneemt. Dat is een slechte combinatie voor een zeilboot. De zeilen staan te klapperen door het heen weer schommelen van de boo. Door het schommelen komt er meer druk in de zeilen dan door de wind. Om te voorkomen dat de zeilen kapot slaan halen we alles naar beneden, waardoor we wel wat harder schommelen, maar wat vooral ook veel rust brengt. Zo motoren we heel rustig de tweede nacht door.

Op 4 aug begint het rond één uur weer een beetje te waaien. De code-0 hebben we al opgeborgen want we varen nu een depressie in, die net voor ons wegtrekt (als het goed is…) en waarvoor ook een stormwaarschuwing windkracht 8 wordt afgegeven. We moeten de tocht goed plannen zodat we enerzijds niet te snel de depressie invaren en in de storm terecht komen en anderzijds niet te langzaam varen, want dan missen we het tij bij de Orkney’s waar het enorm hard stroomt tussen de eilanden (tot wel 7 kts). Voor nu moeten we vooral afremmen en dat is nog best lastig met halve wind, want de Beluga heeft er zin in en loopt tussen de 7 en 8 kts, waarmee we echt te hard gaan. We zetten daarom 2 riffen en de kotterfok, waarmee we de snelheid voldoende uit de boot halen. De wind en de golven nemen langzaam maar zeker toe, tot ruim 20 kts wind en golven van ruim 2 meter, maar met halve wind vaart de Beluga prachtig. Om de Beluga nog verder af te remmen zetten we ook het derde rif. Het is voor het eerst dat we dat gebruiken. Soms neemt de wind even af en dan zetten we de grote fok (Yankee) erbij en zo kunnen we onze snelheid goed afstemmen op de planning.

‘s Nachts, als we samen net bezig zijn met het trimmen van de zeilen, geeft de stuurautomaat een korte piep en loeft de boot op. Snel pakken we het roer en brengen de boot terug op koers. Op het schermpje van de autopilot staat “Rudder Response Failure”, dit komt wel op een heel ongelegen moment… 23 kts wind, ruim 2 meter hoge golven, nog ruim 220 mijl te gaan en dan geen stuurautomaat!

Aranka stuurt de Beluga van 19 ton met de helmstok, wat eigenlijk makkelijker en beter gaat dan we dachten. Ik probeer ondertussen de olie in de hydrauliek van de stuurautomaat bij te vullen. Eerder in Noorwegen heeft dat eenzelfde probleem immers ook opgelost. Hiervoor moet ik wel eerst het rek met opbergkratten achterin de boot, op een nogal hobbelende schip, demonteren. Maar dat lukt, en ook het bijvullen van de olie lukt. Helaas is het probleem hiermee niet opgelost, ook niet nadat we het systeem ontluchten. Heel even lijkt ie het nog te doen, maar dan piept ie toch weer… Vervolgens check ik de zekeringen, maar ook die zijn goed…

Langzaam begint het tot ons door te dringen dat we nog ruim 220 mijl moet sturen op de hand… en zo varen we de vroege ochtend van van 5 aug in. De moed zinkt ons wel in de schoenen, of nog verder tot ergens diep onderin de kiel van het schip… We overwegen om naar de Faeröer te varen, die dichterbij zijn, maar we weten niet of het probleem eenvoudig opgelost kan worden en dan zijn we toch liever in de Orkney eilanden vanwaar je ook in kleinere etappes naar huis kan varen, dus voorlopig houden we koers op de Orkney’s, koers 120°, dat vergeten we voorlopig niet meer ;-).

Aranka denkt het sturen wel 3 uur vol te kunnen houden en we spreken daarom af om de drie uur te wisselen. In de drie uur dat je niet hoeft te sturen proberen zoveel mogelijk slaap te pakken, waarbij we de 2 handmarifoons gebruiken om vanaf het roer de ander wakker te maken als dat nodig is. Als je roer-shift begint moet je zorgen dat je voldoende gegeten en gedronken hebt en dat je naar de wc bent geweest, want daarna zit je drie uur te sturen. Gelukkig wordt het al heel vroeg licht en gaat het veel beter dan we ooit hadden durven dromen en we krijgen er ook wel lol in. Gaandeweg begint er langzaam enig geloof te ontstaan dat we zo inderdaad wel de Orkney eilanden moeten kunnen halen.

Om de beurt sturen we drie uur terwijl de ander probeert wat te slapen.

We checken elke 6 uur het weer om onze snelheid aan te passen op de depressie die voor ons zit en die ons goede wind geeft, maar ook rotgolven. We moeten nu eerst niet te snel varen en de laatste dag juist een gemiddelde van 6,5 knoop halen.

De volgende nacht wordt het echt donker en ik merk dat ik het kompas steeds minder goed kan lezen. De kompas verlichting staat aan, maar ik zie de getallen “120” “150” “90” door elkaar heen dansen en kan er geen chocola meer van maken. Als het echt niet meer lukt roep ik Aranka via de marifoon. Met een wako-wako lampje gericht op het kompas in de ene hand en de helmstok in de andere hand, maak ik mijn shift af. Maar dit gaat zo niet, dat is zo geen drie uur vol te houden…

We overleggen even en kiezen er dan voor om het grote deklicht in de kuip maar aan te zetten. Dat is een soort bouwlamp, die de hele kuip en boot vol in het licht zet. Heerlijk dat je het kompas weer goed ziet, maar verder zie je niets meer om je heen… Eén voordeel…, er is ook niets om ons heen en gelukkig heeft tot nu toe ieder schip ook AIS gehad wat we op de plotter zien. We moeten er maar het beste van hopen, veel keus hebben we niet. Wel zetten we nog een bulletalie (een lijn van het einde van de giek naar de voorpunt) zodat we geen klapgijp krijgen als iemand tijdens het roeren in slaap sukkelt. Deze laatste wachten in het donker worden wel zwaar en daarom krijgen we bij iedere wacht een half uurtje cadeau van elkaar.

‘s nachts hebben we de verlichting in de kuip aan zodat we het kompas goed kunnen lezen. Verder zie je daardoor niets om je heen.

Heerlijk als het weer licht wordt, de afstand wordt nu ook overzichtelijke nog 50 mijl te gaan, ieder nog 2 shifts. Vandaag komen we aan! We twijfelen nog even welke route we naar Kirkwall volgen, de hoofdroute door de Westray Firth en de Stronsay Firth of de smallere doorgang door de Eynhallow Sound. Deze laatste route gaat door de Burgar Roost (hoge steile golven met brekers) die berucht is, maar vooral met stroom naar het westen. Wij zijn daar -als onze planning klopt- met stroom naar het oosten en dan is er geen “roost”. En de route door de Eynhallow Sound is ook 5 mijl korter en leuker om te navigeren, dus we kiezen daarvoor.

Als we 25 mijl voor de kust zijn worden we welkom geheten door een grote groep dolfijnen die een tijd lang met ons mee zwemmen. Als we de laatste uurtjes tussen de eilanden komen is het heerlijk varen, de bewolking is weggetrokken en het uitzicht op de groene heuvels van de Orkney eilanden is prachtig. Tussen de eilanden zijn de golven ook weg, van de “roost” merken we niets behalve dat we opeens 13 kts lopen. Alhoewel we doodop zijn kunnen we ook enorm genieten van het mooie uitzicht en de laatste mijlen. In de haven van Kikwall meren we af langs een lange steiger en ik geloof niet dat ik eerder zo opgelucht en blij was dat we aangekomen waren. Heerlijk om er te zijn. De alleraardigste havenmeester Euan komt langs en geeft ons een warm welkom. Lekker douchen, Champagne om aankomst te vieren, Fish & Chips halen en dan lang en diep slapen!

Terug kijkend was deze tocht tegelijkertijd een dieptepunt en hoogtepunt. Een dieptepunt omdat we best even in de penarie zaten, hoe we zonder stuurautomaat en met weer dat ook niet veel ruimte gaf om bij te liggen, weer in een haven zouden komen, maar anderzijds ook een hoogtepunt omdat ik trots ben hoe we het samen toch maar weer mooi hebben gefixed!

Eén van de koolstofborstels die versleten is. Achteraf vond ik op internet dat ze volgens Simrad ca 1000 uur mee zouden gaan. Maar dat had Simrad natuurlijk niet in de handleiding gezet… Deze heeft al ruim 2200 uur dienst gedaan.

Vrijdag in Kirkwall, samen met een lokale engineer, gekeken naar het probleem en het bleek dat de koolstofborstels van de roermotor versleten zijn. Helaas hadden ze dit type hier niet, maar wel oude die we er als verlengstukje tussen hebben gezet zodat de stuurautomaat het nu weer goed lijkt te doen.

Reykjavík en afscheid nemen

Zaterdag 25 juli slapen we enigszins uit tot een uur of negen, maar dan begint het toch te kriebelen en willen we de stad in. We wandelen door het centrum. Aranka en Myrthe willen zoveel mogelijk winkeltjes in terwijl Wouter en ik juist lekker willen doorlopen. We spreken af bij de boot. Als Myrthe hoort dat Wouter en ik een IJsje hebben gehad is ze uiteraard heel jaloers…

Ingólfur Arnarson, de eerste Noorse permanente bewoner van IJsland

‘s Middags bezoeken we de bekende Hallgrímskirkja (kerk) in het centrum en daarna gaan we op zoek naar de Kolaportið rommelmarkt. Onderweg komen we langs het Ausurvöllur park waar het gezellig druk is en een band optreed met een grappige liedje over ChatGPT en met een doventolk.

Aranka kijkt iets te goed op google maps waardoor we de halve stad af lopen voordat we -vlak bij de haven- bij de rommelmarkt aankomen. s’ Avonds gaan we naar de Lavashow. We zijn nog bijna te laat want nu had ik iets te goed op google maps gekeken en meende ik dat de show vlak naast de haven was. Toen het gebouw dicht bleek en we nog 10 minuten hadden om aan de andere kant van de stad te komen hield Aranka snel een taxi aan zodat we toch nog net op tijd waren. De show was indrukwekkend en ook interessant. We zagen vloeibare lava lopen door een stenen geul in de zaal, van meer dan 1100 graden. We voelden de hitte (ook al zaten we achterin) en de presentator liet ons zien hoe lava van binnen vloeibaar blijft als het van buiten afkoelt. Ook liet hij zien hoe je pseudo kraters in lava krijgt als je het snel afkoelt met ijs (wat wordt omgezet in stoom). Als we terugkomen zijn we hartstikke moe en vallen als een blok in slaap.

Vloeibare lava in de Lavashow

Zondagochtend gaan we naar het Perlan natuurmuseum. In een soort Omniversum bioscoop, met de film geprojecteerd op een koepel om ons heen, is het alsof we afdalen in een vulkaan wat echt heel gaaf is. Ook lopen we door een IJsgrot en zien een prachtige film over het noorderlicht en leren we weer van alles over de bizarre natuurverschijnselen van IJsland.

Höfði House

‘s Middags gaan Myrthe, Aranka en ik naar de Botanische tuin van Reykjavík waar Myrthe weer van alles vertelt over alle planten en planten families. Bovendien is het ook een prachtige tuin en is het heerlijk weer. We wandelen terug naar de boot en komen dan ook langs het beroemde Höfði House uit 1909 waar Reagan en Gorbatsjov in 1986 de basis lengte voor het beëindigen van de “koude oorlog”. De rest van de dag worden tassen in gepakt, auto opgehaald en haal ik diesel (met de auto) zodat de boot weer volgetankt is voor te terugtocht. ’s Avonds hebben we als laatste gezamenlijk maaltijd een uitgebreide BBQ met champagne om de gezelligheid met elkaar te vieren.

Afscheid-BBQ in Reykjavík

Maandag 27 juli nemen we afscheid en breng ik Myrthe, Wouter Inge en Lieke om half zes ‘s ochtends naar het vliegveld in Keflavík met de huurauto. Als ik alleen terug rij voelt het leeg, zo zonder Wouter en Myrthe, maar het was ook ontzettend fijn en gezellig dat ze twee weken aan boord waren.

Terug in Reykjavík gaan we samen met Ronne en Bouke met de auto op pad om nog meer van het schiereiland Reykjanes te zien. We komen langs het prachtige Kleifarvath meer en stoppen bij het Seltun geothermisch park, met heetwaterbronnen en bubbelende modderpoelen. Het blijft fascineren, waarbij de kleuren van de aarde (rood, geel, oranje en wit) ook buitenaards aandoen. We maken een wandeling naar de top van een bergje met een prachtig uitzicht.

Even verderop lunchen we bij een schattig kerkje, “Krýsuvíkurkirkja” in the middle of nowhere, ik vraag me af wie hier nu zondags naar de kerk toe gaat, maar het is heerlijk weer en een prachtige plek om te lunchen.

Daarna rijden we naar kliffen bij Krýsuvík die vol met vogels zitten. We komen ook nog spontaan langs een plek, waar je de gestolde lava van de uitbarstingen van de afgelopen 2023 kan zien. De jonge zwarte lava steekt scherp af tegen de bergen en lijkt op een slecht geasfalteerde weg. Er wordt gewaarschuwd dat lava die pas een of enkele jaren oud is gevaarlijk kan zijn omdat die onder een harde korst nog vloeibaar kan zijn (zoals we ook tijdens de lavashow hebben gezien). Als laatste rijden we naar het desolate stadje Grindavik waar het overgrote deel van de huizen verlaten is. Na de vulkaanuitbarstingen van de Sundhnúkagígar in 2023 en opvolgende uitbarstingen heeft de overheid de huizen opgekocht en is het plaatsje nu grotendeels verlaten. Maar er is nog wel een zwembad dat gewoon open is….

Veel inwoners in Grindavik waren afkomstig uit Heimaey op de Westman Islands toen daar in 1973 een vulkaan uitbarsting was en ze besloten niet naar de Westman Islands terug te keren. Dubbel pech…

In het centrum is een indrukwekkende foto tentoonstelling over de vulkaan uitbarstingen. De foto’s laten zien hoe de lava in de stak komt, hoe die geëvacueerd werd en hoe ze geprobeerd hebben met heel veel water de lava te laten stollen en zo te stoppen. Toevallig schrijft het FD er ook te een artikel over: “Het IJslandse dorp waar lava zowel gevreesd als gekoesterd wordt”

‘s Avonds eten we met zijn vieren de befaamde hotdogs van “Bæjarins Beztu Pylsur”. Eén klein hotdog-tentje, waar een lange rij voor staat, maar die allemaal worden voorzien van een hotdog.

Op de terugweg komen we langs het Harpa concertgebouw. Voor het gebouw staan een enorme hoeveelheid “Muscle Cars” en er komen er ook nog steeds heel veel meer aan met een ronkende motor. Dit had Wouter natuurlijk graag gezien.

Dinsdag (28 juli) hebben we de auto nog tot 13:00 uur en stelt Ronne voor om nog een tocht met f-wegen te maken. Dat zijn wegen waar je alleen met een 4×4 mag en kan rijden. Dat lijkt ons ook leuk en we vinden een route die net past en waarbij we ook nog een geiser kunnen bekijken. We rijden eerst de geplande route totdat wegen er op de kaart wel zijn maar in werkelijkheid niet. Uiteindelijk komen we op een slechtere f-weg terecht die achteraf ook gesloten bleek te zijn… Maar goed het is wel een prachtige tocht over een hoogvlakte, dwars door totaal verlaten gebied door as en over lava, met uitzicht op de Langjökull-gletsjer. Daar op weg van nowhere naar nowhere komen we een verdwaalde fietser tegen (die overigens loopt omdat er niet te fietsen valt). We moeten ook nog een beek oversteken wat bij Ronne tot een grote grijns leidt.

Aan het einde van de f-weg zagen we dat deze gesloten was…

Daarna moeten we opschieten om de auto nog op tijd in te leveren. Maar we stoppen toch even bij de Geysir geiser, want Aranka en ik hadden nog geen geiser gezien, dus dat laten we niet schieten. Daarna moeten we flink doorrijden en leveren de auto tenslotte een kwartiertje te laat in, maar IJslanders zijn cool, dus geen probleem. De rest van de dag maken we ons klaar voor vertrek naar de Westman eilanden. We nemen ook afscheid van Ronne en Bouke die vanaf Reykjavìk naar Groenland varen. We zullen de gezelligheid missen want de afgelopen vijf weken samen optrekken met de Isuma was ontzettend leuk en gezellig! Vanaf nu zijn we weer met zijn tweeën en beginnen we echt aan de terugweg naar Nederland.