Kabalebo en Bigi Pan

Al snel weer de volgende blog, maar dan zijn we maar weer bij als we vertrekken richting Tobago. Ons plan is nu om zondag te vertrekken. De komende dagen doen we het lekker rustig aan, kunnen we mooi voorbereiden voor de overtocht. Is toch weer zo’n 500 mijl, maar de stroom staat mee, dus als het mee zit moet het in een dag of drie tot vier wel lukken…

We gaan met een klein vliegtuigje
Nadat we terug waren uit Botopasi hebben we maandag de boot verplaatst van Domburg naar Waterland waar we ook Remco en Willem van de Tignanello tegenkomen. Willem is ooit nog onze flottielje schipper geweest in Kroatië en het is leuk ze weer te zien. Bovendien hebben ze veel tips over de Carib waar wij ons zo langzamerhand ook wat meer in moeten gaan verdiepen. Ook is Waterland voor ons wel een bijzonder punt, het is namelijk het meest zuidelijke punt dat we bereiken dus als we hier weer vertrekken is de terugreis begonnen, al voelt het gelukkig nog niet zo. Coen en Joce komen ook nog even langs want zij zijn zo goed geweest om de auto even door te rijden.

Dinsdag staan we vroeg op, we moeten de banden van de auto nog oppompen, tanken en nog wat geld wisselen en we moeten om half elf op het vliegveld zijn want dan vertrekken we samen met Howy naar Kabalebo. Howy is gisteren uit Nederland aangekomen en wij gaan de komende week samen het binnenland in. Dat was nog een oud idee van meer dan tien jaar geleden, dus toen wij naar Suriname voeren wou hij niet achter blijven. Super leuk om hier samen een week met Howy op te kunnen trekken! Howy wordt door zijn schoonmoeder die in Paramaribo woont, gebracht en het is ontzettend leuk om elkaar hier in te treffen.

We gaan met een klein vliegtuigje, en het is ongeveer een uurtje vliegen naar Kabalebo. We hebben een mooi uitzicht en zien Paramaribo onder ons verdwijnen. Het valt op hoe ver Paramaribo zich nog uitstrekt naar het westen. Daarna wordt het snel heel erg leeg. We vliegen naar het zuid westen en we komen alleen zo nu en dan een rivier tegen, en een paar keer een weg, maar verder is het bos, hier en daar een moeras en nog veel veel meer bos.

Een oude Dakota
In de jaren 60 is bij Kabalebo door de overheid een vliegveldje en een paar gebouwen neergezet om te kijken of hier bauxiet gevonden kon worden. Toen dit niet rendabel bleek is het blijven liggen totdat er door een stel avonturiers een toeristenresort is gebouwd. Kabalebo ligt echt in the middle of nowhere, het dichtstbijzijnde indianendorp ligt 150 km verderop… Het is alleen per vliegtuig bereikbaar wat betekent dat alles moet worden ingevlogen,en het is vernoemd naar de Kabalebo rivier die langs het resort stroomt. Het is er prachtig, het lijkt wel een klein paradijsje hier midden in de jungle!

We landen keurig op een grasveldje en worden warm onthaald op Kabalebo. Er staat -naar goed Surinaams gebruik- een uitgebreide lunch klaar. We hebben een prachtige hut vlak bij een zwembad, dus Myrthe en Wouter zijn meteen enthousiast! ’s Middags maken we een wandeling door de jungle samen met de gids Iwan. Howy en Iwan spreken Surinaams met elkaar waar ik in ieder geval helemaal niets van snap. Howy heeft een enorme camera bij zich waarmee hij prachtige foto’s maakt. Veel foto’s in de blog zijn dan ook van Howard want onze foto’s waren lang zo mooi niet.

Als eerste komen we een oude Dakota tegen die hier in de zestiger jaren geland is maar niet meer kon opstijgen en hier toen maar de rand van het bos is gesleept. Inmiddels heeft de jungle het vliegtuig geheel ingenomen. Wouter en Myrthe kunnen er natuurlijk leuk in klimmen. Verder is het prachtig om door de jungle te lopen en we zien weer van alles! Bij de rivier zien we grote roofvogels. Als we terug komen, varen we met een korjaal een stukje stroomopwaarts naar een stroomversnelling waar we kunnen zwemmen. Howy en de kids duiken meteen het water in, en als ik zie dat er niemand door Piranja’s wordt opgegeten spring ik er ook in. Het is heerlijk warm water in een prachtige omgeving en we vermaken ons prima. Als we terug komen bij Kabalebo hebben Wouter en Myrthe nog niet genoeg van het zwemmen en duiken we nog het zwembad in. ’s Avonds eten we uiteraard weer uitgebreid en de kilo’s die er tijdens de oversteek vanaf waren gegaan komen er net zo snel weer bij, maar dat is prima, sterken we weer wat aan voor de rest van onze reis… ’s Avonds klets ik nog tot na middernacht met Howy, het is erg gezellig om elkaar weer te zien en ook heel interessant om zijn verhalen over Suriname te horen.

De aal begint te sidderen…
De volgende dag sta ik heel vroeg op en met Wouter en Myrthe ga ik met het ochtend gloren over het vliegveldje naar de rivier. We proberen zachtjes te lopen, wat best een uitdaging is met twee kinderen, maar het maakt het wel extra spannend en Myrthe en Wouter sluipen als bos-indianen door de bosjes. Daar zien we een paar bos-konijnen en ook een roofvogel, maar het is te donker om ze goed scherp op de foto te zetten. We ontbijten om half acht en varen dan met een korjaal een stukje stroomafwaarts. Daar maken we een wandeling door de jungle naar Moi Moi toe waar een sidderaal zou moeten zitten. We wachten en proberen de sidderaal te lokken door met een takje op het water te tikken. Hoe we ook tikken, er komt geen sidderaal en na een half uurtje besluiten we weer door te lopen. Juist als we weglopen komt de sidderaal te voorschijn. Zij laat zich nu goed bekijken en zwemt gewillig achter het stokje aan totdat Wouter het te bont maakt en de aal begint te sidderen. Mooi moment om weer door te lopen anders worden we nog geëlektrocuteerd…

Na de stroomversnelling zitten vaak piranha’s
We lopen terug naar de Kabaleborivier, waar de korjaal van Kabalebo al wacht. We varen naar Kabalebo waar de lunchpakketten worden opgehaald en dan door naar een prachtig lunchplekje aan de rivier. Het kost wat moeite om Wouter weer mee te krijgen want hij vindt dat hij wel genoeg heeft gedaan voor vandaag, maar als we hem een lekkere lunch en zwemmen voorhouden wil hij toch wel mee. We lunchen bij een stroomversnelling waar we weer lekker kunnen zwemmen. Iwan leert ons dat het in een stroomversnelling veilig is om te zwemmen, vlak na de stroomversnelling (in diep water) zitten vaak piranha’s, maar in de stroomversnelling of er vlak voor is het veilig, daar stroomt het te hard en is het te ondiep. Bovendien komen ze hier vaker waardoor de piranha’s en kaaimannen hier wegblijven, toch handig om te weten… Myrthe en Wouter belagen Iwan en klimmen beurtelings op Howard, mij of Iwan, maar ze hebben in ieder geval reuze pret.

Op de terugtocht naar Kabalebo zien we van alles, eerst een hert langs de waterkant dat moeilijk weg kan omdat de wand naar boven heel steil is. Iwan probeert het hert nog te vangen, maar het hert vindt op tijd een plek waar het naar boven kan rennen (wel enigszins tot onze opluchting…). Daarna zien we nog een tapir langs de rivier, en verschillende vogels, zoals de zwarte arendbuizerd, de grote Amerikaanse ijsvogel, een sokoi reiger etc etc. Het is echt prachtig. Als we aankomen bij Kabalebo poseert er ook nog een black caracara die zo dicht bij zit dat ik het met mijn camera zelfs beeldvullend op de foto krijg. De kids laten zich met het golfkarretje door Amida bij het zwembad afzetten, tsja luxe went snel… ’s Avonds logeert Wouter bij Howy op de kamer, terwijl hij Howy de oren van zijn hoofd vraagt over camera’s en foto’s maken.

Het “pad” is ook slipperig en steil
Donderdag horen we bij het ontbijt dat Wouter -zoals gewoonlijk- om zeven uur ’s ochtends klaar wakker was, en dat Howard toen met hem naar de rivier is gewandeld om foto’s te maken van vogels. Voor Wouter zo te zien een prima begin van de dag! Vandaag is een wat zwaardere dag, want we gaan “Misty Mountain” opklimmen, een berg waar we op uitkijken van 500 meter hoog, op zich niet heel veel, maar we ontdekken al snel dat het lopen door de jungle een stuk zwaarder is dan over een mooi bergpad. Het is warm, en vochtig, maar het “pad” is ook slipperig en steil, maar het is een prachtige wandeling en we zien apen, prachtige paddenstoelen, en de “bospolitie”, een klein vogeltje, dat een enorm geluid kan maken. De kinderen vinden het wel zwaar maar na een uur of drie lopen zijn we boven en kunnen we lunchen met een mooi uitzicht over het oerwoud. Hier en daar hangt wel een wolk, maar het is tenslotte ook de “Misty” Mountain. Op de terugweg lopen we om de berg heen en komen we langs de “Charlie Falls”, een mooie open plek in het bos bij een waterval. Ik merk nu ook het verschil met het lopen over een gewoon pad want ik heb flink last van mijn knieën. Maar mijn schoenen zijn tenminste nog heel, Ranka daarentegen heeft losse zolen onder haar gympen, die nu met tape en draad nog net aan elkaar blijven hangen. Als we terug zijn,zijn we moe, maar desondanks duiken Wouter en Myrthe direct het zwembad weer in, onvermoeibaar…



’s Avonds krijgen we nog een mooie oorkonde, en na het eten zouden we nog naar de Ocelot’s kijken die hier ’s avonds vaak komen als ze gevoerd worden, maar we zijn zo moe dat we dat maar een dagje uitstellen. Myrthe gaat vannacht bij Howy logeren.

Madammeke ’s nachts buiten was gaan struinen
’s Nachts horen we bij ons huisje wat geschuifel en staat Myrthe opeens in ons huisje. Ze is midden in de nacht door het pikkedonker op pad gegaan omdat ze dat met Wouter had afgesproken (ze zouden stiekem van bed wisselen) en omdat ze haar knuffel wou halen. Als we vragen of ze dat niet eng vond, vertelt ze doodleuk dat ze wel een beetje de weg kwijt was geraakt en bij het dorpje waar het personeel woont terecht was gekomen, maar dat ze daarna wel de weg had gevonden. Is toch paar honderd meter lopen door het pikkedonker, waarbij ik het wel prettig vind om een lampje bij me te hebben. Ik breng Myrthe snel terug naar het hotel waar Howard slaapt, die overal doorheen is geslapen. Als ik terugloop valt me op hoe donker het is, en ben ik nog verbaasd dat Myrthe het überhaupt heeft gevonden… Howy vertelt ’s ochtends bij het ontbijt dat hij een halve hartverzakking kreeg toenhij de knuffel bij Myrthe in bed zag liggen en zich realiseerde dat madammeke ’s nachts buiten rond was gaan struinen. Maar ja, gelukkig is ook dit weer goed afgelopen…’

Een grote kaaiman…
Vandaag is de laatste dag op Kabalebo en gaan we kajakken. We overtuigen Iwan dat we wel een beetje weten hoe we een peddel moeten vasthouden en dat we beter met drie ipv twee kajaks kunnen gaan, zodat Myrthe en Wouter ook mee kunnen peddelen. De korjaal brengt ons een stuk stroomopwaarts naar Bivoua, zodat wij lekker met de stroom mee kunnen kanoën. Een kano is eigenlijk wel het meest ideale middel om hier rond te varen, het is vrijwel geruisloos en je kan in alle rust naar vogels toe varen. We zien onderweg een grote kaaiman liggen waar we vlak bij kunnen komen, en ook een paar prachtige foto’s van kunnen maken (Iwan ontdekte de kaaiman, omdat er een reiger naar zat te turen; hij wilde weten waar de reiger naar keek en ontdekte zo het dier).

De volmaakte rust wordt zo nu en dan wel wreed verstoord door Myrthe en Wouter die onder luid kabaal elkaar’s kano willen enteren, maar daarna herstelt de rust zich weer.
’s Avonds kijken we naar de ocelot (een soort kleine jaguar), die in het donker komt. Het ziet er eigenlijk wel schattig uit en het beest lijkt ook niet erg bang voor het groepje mensen dat staat te kijken en met zaklampen staat te schijnen. Omdat hij elke avond wordt gevoerd en hij de mensen van Kabalebo gewend is, lukt het nu om ook met toeristen naar de Ocelot te kijken op ca. 20 meter afstand.

Reservering niet gelukt
Zaterdag vliegen we terug in een nog kleiner vliegtuigje waar we net met zijn vijven in kunnen. We nemen afscheid van de mensen op Kabalebo, waar we heerlijk hebben kunnen genieten van de natuur, maar waar het ook heerlijk relaxed was. De piloot vertelt de kinderen wat wolken toch ontzettend leuk en bijzonder zijn en belooft dat we onderweg het raampje even open gaan doen als we in een wolk zitten. Echter zijn de kinderen tijdens het vliegen allebei door het geronk en de herrie heen in slaap gevallen en komt het daar dus niet van. We hebben weer een prachtig uitzicht over het oerwoud van Suriname en ongeveer een uurtje later landen we weer op Zorg en Hoop.

Ons plan is om vandaag direct door te rijden naar Nieuw Nickerie waar we gaan slapen in een hut op het meer Bigi Pan, wat een echt vogel paradijs schijnt te zijn. Ik had de de hut gereserveerd, maar als Howy nog even met Stefanie van Bigi Pan Adventures belt om te vragen waar we precies moeten zijn, blijkt de reservering niet helemaal gelukt. Er is geen plaats in de hut, maar gelukkig kunnen we de volgende ochtend wel worden opgehaald in Nieuw Nickerie en een dagtocht op het meer maken. We rijden in ongeveer drie uur op de bonnefooi naar Nieuw Nickerie over een behoorlijk goede weg. Daar zoeken we even (eerste hotel is vol) en vinden dan een prima hotel voor een heel schappelijke prijs.

Met een noodgang de sleephelling op

’s Ochtends worden we keurig om half acht opgehaald en een half uur later zitten we in een boot die eerst een stukje de Nickerie Rivier op vaart totdat we bij een soort “sleephelling” komen. De sleephelling zit op een dam die het water van de Nickerie rivier scheidt van het brakke water in het Natuurgebied Bigi Pan. Wij stappen uit en de bootsman vaart dan met een noodgang de sleephelling op, waarop een stalen constructie met rolletjes is gemaakt zodat de boot een heel stuk omhoog rolt. Het laatste stukje moeten wij de boot over de dam heen slepen voordat die aan de andere kant van de dam weer het water in “rolt”. We zijn nu op het Jamaer kanaal, dat naar “Bigi Pan” toe gaat. Bigi Pan is een ondiep meer met brak water waar meer dan honderd vogelsoorten voorkomen, waaronder veel trekvogels, die hier inde winter overwinteren. Op de tocht door het Jamaer kanaal zien we van alles, Reigers, Ooievaars, Arenden, bijzondere kraaien, IJsvogels en ook nog doodshoofdaapjes (oftewel meneer Nelson van Pipi Langkous). Langs het kanaal staan er allemaal mangrove bomen, de witte, rode en zwarte mangrove. Aan het einde van het kanaal is er even een doorkijkje langszij waar we bossen zien aan het meer en waar rode ibissen in de bomen zitten. Wat een bijzonder felle rode kleur hebben ze. Zodra ze wegvliegen en je ze in de blauwe lucht ziet is het bijna oranje. Ze krijgen die kleur als ze volwassen worden en voldoende rode krabbetjes hebben gegeten. Howy schiet het ene na het andere plaatje met zijn camera, maar dit is dan ook wel een walhalla om vogels te fotograferen.

“Ik kan het niet” bui
Even later komen we bij het einde van het kanaal en varen een groot meer op. Er staan een aantal huizen in op palen, waarvan er een van Stefanie is. Het huis zit nu vol met stagiaires die stage lopen in Suriname (Artsen, PABO, fysiotherapie, enz). Terwijl zij verderop op het meer een modderbad gaan nemen gaan wij met de kano’s het meer op. Howy wil nog meer foto’s maken en gaat met de stagiaires mee. Wij krijgen baka bana’s, kunnen wat drinken en gaan dan kanoën. Myrthe probeert ook om in een kano te gaan varen, maar de wind is vrij krachtig en ze heeft een typische “ik kan het niet” bui. Uiteindelijk knoop ik haar kano maar aan de mijne vast en vaar het meer op. Gelukkig fleurt Myrthe ook weer op en is het prachtig varen.
Aranka is al een stuk verder gevaren richting de flamingo’s die daar zitten. Helaas vliegen ze allemaal op als ze in de buurt komt zodat ik nog een stuk verder moet varen naar de plek waar ze weer zijn neergestreken. Als ik bij Ranka kom gaat zij al weer terug en knoop ik Myrthe aan haar kano vast zodat ik wat sneller naar de flamingo’s kan peddelen. Maar het is het meer dan waard, er zitten echt honderden flamingo’s en als ik in de buurt kom dan vliegen ze vlak over me heen, echt een prachtig gezicht. Op de terugweg ga ik nog kijken bij een paar vissers die gewoon naast de boot staan. Het water is niet diep, op de meeste plaatsen minder dan een meter. Ze vissen hier door netten op te hangen waar de vissen dan in verstrikt raken, ik vind het maar een nare manier van vissen.

Als ik terug vaar naar de lodge komt er een korjaal aan met Ranka, Wouter en Myrthe. Ze krijgen een rondleiding, en gelukkig kan ik ook mee, de kano wordt gewoon achter op de korjaal gehesen. We zien weer een heleboel vogels, en vooral veel rode ibissen die je ook heel makkelijk herkent. Achter op het meer zijn de bomen dor doordat het daar te zilt werd, maar het ziet er wel mooi spookachtig uit… Je kan via de kreken die hier lopen helemaal doorvaren tot aan de kust, wat Howy gedaan heeft samen met de bootsman waar hij mee op pad is nadat ze de stagaires in de modder hebben achter gelaten.

Tsja… dan gaan we wel een probleem hebben
Als we terug komen op de lodge is er een lekkere lunch en daarna varen we weer terug via het Jamaer kanaal naar onze auto. Als we terug rijden naar Paramaribo worden we door de politie bij een controle aangehouden. Netjes geef ik mijn paspoort en rijbewijs, maar ze willen een internationaal rijbewijs zien (wat niet meer is dan een vertaling van je Rijbewijs, maar de officiële taal in Suriname is…?, juist!). Gelukkig herinner ik me dat Howy wel een Internationaal Rijbewijs bij zich had, dat vindt oom agent ook wel OK als Howy dan maar verder rijdt. Als de agent het internationale rijbewijs controleert valt hem op dat de gelijkenis met Howy wel erg ver te zoeken is… Howy heeft het Internationale rijbewijs van zijn vrouw Jamili meegenomen. De agent probeert het nog, “Waar is deze mevrouw?” Maar hij snapt ook dat even uit Nederland komen vliegen geen optie is. “Tsja… dan gaan we wel een probleem hebben”, zegt oom agent. Howy maakt de briljante opmerking dat hij slechts een kort verblijft in Suriname heeft en dat het niet zo’n groot probleem zou moeten zijn. De agent lijkt opgelucht dat er voor dit probleem ook weer een oplossing is gevonden en we mogen doorrijden. Bij de volgende controle enkele kilometers verderop vindt de agent het Nederlandse rijbewijs overigens wel voldoende… We brengen Howy thuis bij Jamili’s moeder, nemen afscheid en rijden inmiddels in het donker terug naar Waterland waar onze boot er gelukkig nog goed bij ligt.

De week hierna doen we allerlei klusjes, we brengen vijf paar schoenen weg waarvan de zool heeft losgelaten, laten de gasfles vullen, doen boodschappen etc. Ook komt Coen op dinsdag langs om aardrijkskundeles aan onze kinderen te geven, wat ze erg leuk vinden en donderdag komt Howy (die een klus doet bij TeleSur) ook nog langs in een enorme PickUp. Vrijdag zijn we uitgeklaard bij de vreemdelingenpolitie. Ons “kort verblijf” zou zaterdag verlopen en je mag ook maar maximaal een dag van te voren uitklaren. Ik dacht dat handig op te lossen door te zeggen dat we zaterdag zouden vertrekken terwijl we eigenlijk pas morgen de 25-ste vertrekken. Toen Wouter dat hoorde vroeg hij “Maar Papa, we vertrekken toch pas zondag?” waarop oom vreemdelingagent vroeg wanneer wij nou eigenlijk dachten te gaan vertrekken… Nou ja, maar verhaaltje omheen gebreid en Wouter streng aangekeken dat ie zijn mond moest houden waarop Myrthe er natuurlijk nog even een schepje er bovenop deed door te vragen “Pap, had Wouter dat niet mogen vragen?” Kortom, ik voelde me weer op en top met onze kids! Uiteindelijk vond oom agent het ook te veel gedoe om ons kort verblijf voor een dag te verlengen en heeft ie ons gewoon per zaterdag de 24ste uitgeklaard, “Een dagje later vertrekken met de boot, dat gaat geen probleem zijn hoor…”. Verder heeft Aranka nog een uitgebreide blog geschreven over deze week, dus misschien komt die ook nog voor onze volgende overtocht naar Tobago waar we morgen ochtend (zondag 25 jan) naar toe vertrekken.

I Weki No uit Suriname…

De afgelopen weken hebben we het maar druk gehad met allerlei leuke dingen. Er is ook zo veel te zien en het is ook steeds weer zo totaal anders dat we niet uitgekeken raken. Van bloggen is daarom niet veel gekomen, maar dat maken we nu goed. Dit is de eerste blog, binnenkort volgt de blog over onze tripjes naar Kabalebo en Bigi Pan. Het is wel een wat lange blog geworden….

In het nieuwe jaar maken we een aantal dagtochtjes in de buurt van Paramaribo. Vrijdag gaan we richting Frederiksdorp, een oude plantage waarvan de gebouwen zijn gerestaureerd. Frederiksdorp ligt aan de Commewijne rivier. We rijden over de Wijdenboschbrug naar de andere kant van de Suriname rivier waar we ook meteen geld kunnen wisselen bij een Cambio-kantoortje tegen een aanmerkelijk betere koers dan bij een geldautomaat. Daarna rijden we door naar Fort Nieuw Amsterdam dat op de monding van de Suriname rivier en de Commewijne rivier ligt. Hier is een openlucht museum. Het is erg interessant, er staan nog een aantal oude gebouwen zoals het kruithuis, maar er wordt ook heel veel verteld over de slavernij. Wij leren hier meer over de rol van de Nederlanders in de slavernij dan we tijdens twaalf jaar onderwijs hebben geleerd. Zo wisten wij niet dat de Nederlanders de slavernij 30 jaar later afschaften dan de Engelsen en de Fransen, maar ook het afschuwelijke verhaal van het slavenschip “Leusden” dat -nadat het maanden lang voor de kust van Afrika slaven had ingenomen om zo vol mogelijk te zitten- op 1 januari 1738 verging vlak voor de kust van Suriname bij de monding van de Marowijne rivier. De luiken van het ruim waar de slaven zaten waren dichtgespijkerd omdat de bemanning bang was dat ze door de slaven zouden worden overmeesterd… 667 slaven verdronken! Lijkt mij belangrijker dan de “heldendaad” van Michiel de Ruyter waar onze geschiedenisboeken over vol geschreven zijn. Helaas denken de historici die de onderwijsboeken maken hier blijkbaar anders over en kiezen zij ervoor de dark side van onze geschiedenis angstvallig verborgen te houden…

Als we weer terug lopen naar de auto zien we bij de politiesteiger een zeilschip liggen. Nieuwsgierig naar wie hier op dit mooie plekje ligt, lopen we erheen en het blijkt de Roque te zijn. Zij hadden motorpech toen ze de Suriname rivier opvoeren en hebben toen hun anker uitgegooid. Later zijn ze door een visser naar de politiesteiger bij Nieuw Amsterdam gesleept waar ze mochten blijven liggen, mooi plekje hoor! Wij zijn er 24 december in het donker langs gevaren maar hebben ze toen niet gezien.

We rijden verder naar Frederiksdorp. Bij Mariëndorp laten we de auto staan en steken de Commewijne rivier over met een Korjaal. Het is een prachtige omgeving, vlak, nat en zonnig. Inderdaad een ideale omgeving voor landbouw, maar dat zien we hier niet. De Plantage Frederiksdorp is net zo als de andere plantages verlaten of tot toeristenoord verbouwd. Zonde van de goede landbouwgrond, als we aan de eigenaar vragen waarom hier niets verbouwd wordt zegt hij dat het moeilijk is werknemers te vinden. Daarnaast ontbreekt de infrastructuur. Ten noorden van de Commewijne rivier zijn geen wegen en er is geen brug over de Commewijne rivier. Op Frederiksdorp bekijken we de oude politiepost die helemaal is hersteld en nu als hotel wordt gebruikt. Ook bekijken we de doctorswoning en de woning van de plantage eigenaar. Hoe belangrijker de bewoner, hoe hoger het huis…, het is maar wat je belangrijk vindt. De zoon van de eigenaar vertelt hoe zijn vader de plantage in 1976 heeft gekocht toen deze helemaal vervallen was, en deze met subsidie van het Nederlands cultuurfonds heeft hersteld als toeristenoord. Maar ook over de geschiedenis van de plantage en dat hier ooit zo’n tweehonderd slaven werkten….Het komt op ons onwerkelijk over, ook omdat er niets meer over is van de slavenverblijven. We eten nog lekker bij Frederiksdorp voordat we weer terugrijden naar Domburg.

Zaterdag 3 januari gaan we op bezoek bij Dennis de Smidt, een oud-collega van Roelof, die nu in Paramaribo leiding geeft aan een callcenter. Dennis en Karin hebben drie kinderen, en het klikt meteen met Myrthe en Wouter. Het is zo gezellig dat we die avond blijven eten, terwijl de kinderen in het zwembad spelen dat ze in de tuin hebben staan.

De dag daarna op zondag gaan we naar Fort Zeelandia. Op zondag worden er rondleidingen gegeven. We hebben zware regenval, maar een ontzettend leuke dame die ons veel kan vertellen over de geschiedenis van Fort Zeelandia. Het is indrukwekkend om hier te zijn terwijl je hoort over de rol die dit fort door de jaren heen in de Surinaamse geschiedenis heeft gespeeld. Vanaf het begin van de kolonisatie, toen de indianen leefden op de plaats van het huidige Paramaribo en helemaal niets van het Westen moesten hebben, tot de slaven die hier berecht werden en de december-moorden die hier zijn volbracht, zonder dat ze ooit zijn opgelost/onderzocht. Helaas bestaat de geschiedenis van dit fort grotendeels uit gruwelijkheden, en alhoewel het er nu keurig uitziet voelt het toch ook luguber aan. ’s Middags rijden we terug naar Domburg en eten een hapje bij Huib.

Maandag gaan we vroeg op pad naar Berg en Dal. Umro heeft hier samen met Just en zijn nicht een huisje en gevraagd of we niet een dagje langs wilden komen. Eerst rijden we naar Waterland waar een pakje voor Myrthe en Wouter van hun achterneef Jan Koops ligt. Roelof’s neef Martijn heeft het opgestuurd naar het haventje in Waterland waar wij later ook onze boot willen leggen, als we het binnenland in gaan. Myrthe en Wouter zijn erg nieuwsgierig wat er in het pakje zit. Bij Waterland vinden we inderdaad het pakje bij de beheerder. In de auto vallen Myrthe en Wouter op het pakketje aan, en het zit vol met Donald Duck’s! Het pakje van Jan valt erg in de smaak en de rest van de tocht hebben we geen kind meer aan ze, ze zitten aandachtig in de Donald Duck’s lezen. Jan, bedankt!

Het is 1,5 uur rijden en we zijn verrast hoe goed de weg is naar het binnenland. Maar hij is ook nog niet zo oud; in 2010 aangelegd. We komen aan bij Berg en Dal en Umro, Just en zijn nicht zijn er al. De kinderen hebben zich erg verheugd op een zwembad, dus dat is wat zij direct willen doen. Wij kunnen ’s middags een historische wandeling maken, maar uiteraard gaan we eerst een hapje eten. Het eten komt niet zo snel en wij zijn bang dat we niet op tijd voor de wandeling komen. Maar er wordt ons beloofd dat de wandeling niet zonder ons zal vertrekken. Dat blijkt ook wel logisch want we blijken de enige deelnemers aan de wandeling te zijn. Na het eten laten we de kinderen achter bij de nicht van Umro die wel op onze kids wil passen.
We stappen in een korjaal en varen een stukje de rivier op naar een open plek, waar nagemaakte slavenhutten staan en waar een soort activiteitencentrum is. Onze gids vertelt ons over de locatie, waar vroeger een plantage was. Ze laat ons de slavenhuisjes zien en vertelt hoe de bewoners hier vroeger leefden. Ook laat ze zien waar de overledenen op de berg werden begraven. Je kan aan de graven zien of het slaven zijn, met alleen een paal in de grond (ronde bovenkant = vrouw, bovenkant pijl = man en bovenkant hartvorm = kind) of missionarissen met een grafsteen. Ook vertelt ze hoe de slavernij werd afgeschaft en hoe de slaven werden vrijgekocht door de directeur van de Surinaamse bank die een relatie had met de toenmalige eigenaresse van de plantage en daarom ook op de berg ligt begraven. De tante van deze eigenaresse had veel grond vergaard, doordat ze met verschillende gouverneurs trouwde, die vervolgens steeds op mysterieuze wijze na 2-3 jaar om het leven kwamen… De grond van deze gouverneurs werd zo haar eigendom.

Op de berg hebben we mooi uitzicht op de omgeving en op de Brownsberg. We zien nog twee spechten, goudbruin met een mooie kam op het hoofd. En we zien hommels veel groter dan we ze in Nederland kennen, een spinnenhuis/web waar de spinnen samen in wonen, termietennesten (rond) en mierennesten (langwerpig) in de bomen. Daarna lopen we samen een pad terug naar de resort. En dan drinken we nog even samen met Umro en zijn familie wat bij de resort. De kinderen vermaken zich nog steeds prima in het zwembad. ’s Avonds rijden we in het donker terug naar Domburg, gelukkig is de weg goed en komen we veilig weer bij de boot aan.
Dinsdag rijden we naar Lelydorp waar een vlindertuin is. We zien er hoe ze vlinderpoppen kweken en die dan exporteren, maar ook een grote ruimte waar het vol zit met een enorme hoeveelheid verschillende vlinders. We krijgen een rondleiding, en behalve vlinderpoppen worden er ook schildpadjes en Boa Constrictors gekweekt. Het is leuk en we zijn er uren zoet, ’s avonds eten we gezellig met Coen en Joce van de Wildeman bij Huib. Woensdag is een rommeldagje dat we gebruiken om te zoeken naar een extra gasfles, met de kids naar de Intertoys gaan -die zo ontzettend duur is dat we niets kopen- en Roelof’s rugzak wegbrengen om te laten repareren op de grote markt.

Op donderdag 8 januari om 12 uur vertrekken we op weg naar het binnenland. Roelof gaat ’s ochtends vroeg nog naar de grote markt in Paramaribo om zijn gerepareerde rugzak op te halen. Gelukkig had hij een paar fotootjes gemaakt waar het was want het was op een enorme markt ergens links, rechts en achter een deur maar hij heeft het gelukkig weer terug gevonden. En ik was bezig om spullen te verzamelen, de kinderen te laten ontbijten en de boot netjes achter te laten in Domburg voor 3 dagen (vooral was buiten ophangen om te drogen en weer binnenhalen voor de bui, en dat diverse malen herhaald).

Over de “highway” was het iets meer dan 2 uur rijden naar Atjoni, net ten zuiden van het Brokopondo stuwmeer. Daar stopt de weg gewoon aan de Suriname rivier. Wij kwamen om half drie aan en de boten naar Botopasi waren al weg. Maar we konden nog met een andere korjaal meevaren, een mooie roze die naar Pikin Slee (dorpje in de buurt van Botopasi) ging. Nadat er ook duizend kilo cement aan boord was gedragen (om in een dorp een gebouwtje voor een rijstpel machine te bouwen) vertrokken we om ongeveer half vier. Ook benzine tanks gingen mee en bagage van ons en nog een familie. De lading en bagage ging onder een groot zeildoek tegen de regen. Dat bleek later ook erg nuttig…

Het gaat razend hard met zo’n korjaal, zelfs tegen de stroom in. Verder de rivier op kwamen we steeds meer rotsen tegen en op een gegeven moment moesten we uitstappen bij een stroomversnelling. De korjaal kwam er niet overheen door het enorme gewicht van al het cement dat er mee was. Van een andere korjaal kwam er direct hulp aan, en ook een andere bootsman zwom er direct heen. Er werd met man en macht aan de korjaal getrokken om hem droog en heel over de stroomversnelling heen te krijgen.

En warempel, wie kom ik daar midden in Suriname, staand op een paar rotsen naast de stroomversnelling tegen: mijn collega Jetty van het LUMC. Dat was een enorme verassing. Zij was net op een tocht uit het binnenland terug naar Atjoni aan het varen en ze logeert bij haar vader in Paramaribo. Het was heel kort maar erg leuk. Het lijkt wel of we hier in Suriname meer collega’s tegen komen dan in Leiden; Hetty is voor mij de eerste maar Roelof heeft hier al 3 collega’s ontmoet. Even later krijgen we op de rivier een plensbui. Of je nou regenkleding hebt of niet, je wordt heel erg nat. Maar het is gelukkig niet koud. Verder zien we op de rivier nog een ijsvogel en springende visjes.

We varen langs diverse inheemse dorpjes waar de nazaten leven van de vroegere Marrons, weggelopen slaven, die zich diep in het oerwoud hebben verstopt. Er is veel vertier aan de waterkant, er wordt gezwommen, gewassen, de afwas gedaan, enzovoort. De Saramacaners varen zelf ook in kleine korjaals met peddels, dat is wel een stuk zwaarder dan met onze 50 pk motor. Om 18.30 uur als ik het toch wel koud begin te krijgen komen we na diverse stroomversnellingen en dorpjes aan bij Hotel Botopasi waar we heel hartelijk worden ontvangen door Haidy de eigenaar, Ian de gids en Pieter een belg die hier ook al 2 jaar als vrijwilliger helpt.

We krijgen een hut zoals Marrons die in het oerwoud ook hebben, van hout met een bladerdak (maar wel met plastic zeil in de top, want kennelijk vertrouwen ze zelf het bladerdak ook niet helemaal). Er staan 3 bedden in, twee enkele voor de kinderen en een twijfelaar voor ons. Daarachter is nog een ruimte met een toilet en een douche met water uit de rivier. We doen droge kleren aan en dan gaan we naar het hotel waar we een rondleiding krijgen en waar we heerlijk eten. Er is ook een Duits stel uit Berlijn aanwezig en we eten gezellig samen. Rijst met kip, zoute vis en kousenband en salade.

’s Avonds is er elektriciteit bij Botopasi, want dan staat de generator aan van zeven tot elf uur. Dan is er ook licht in ons huisje, daarna gaat de generator uit en is het donker tot het ochtend wordt. Als er elektriciteit is kijken we ook een film uit 1928 over hoe de Saramacaners of Marrons toen leefden, over de mislukte spoorweg en stoomtrein van de heer Lely uit de tijd dat de goudkoorts er nog was, en hoe ze brood bakken van de cassavewortel door die helemaal te raspen, te malen en te drogen, enzovoort. En ook hoe ze varen over de rivier en hoe ze vis vangen door het sap van de mangrove in de rivier te laten lopen waardoor de vissen bedwelmd raken en ze dan stroomafwaarts uit het water te pakken. Super interessant allemaal. De kinderen waren ondertussen al naar bed gegaan. Ze lagen diep in slaap toen wij naar bed gingen. Midden in de nacht horen we een enorme knal. We zitten rechtop, dat verwacht je hier niet midden in de jungle… Daarna nog acht knallen die klinken als vuurwerk. De volgende dag hoorden we dat dit de afsluiting van oud en nieuw was. Gezien het geknal dat we in Paramaribo al hebben meegemaakt, wel een passende afsluiting.

Vrijdag (9 januari) maken we na een heerlijk ontbijt met broodjes, een prachtige wandeling. Er is hier vroeger ook al groente verbouwd, maar de meeste kostgrondjes zijn weer verlaten en weer ingenomen door het oerwoud. Nu is het dus een jungle die gemiddeld zo’n 150 jaar oud is. Secundair bos noemen ze dat. Je ziet dat aan de vegetatie die ook nog op de grond staat omdat er nog best veel licht door de bomen op de grond komt. Maar er is een goed pad waar wij kunnen wandelen. Ian de gids is met ons mee en vertelt ons over hoe ze van de palmbladeren een dak bouwen, welke bladeren gebruikt kunnen worden als paraplu, hoe je lianen vrij kan maken en bewerken, zodat je ze als touw kan gebruiken en laat ons zien hoe je met de telefoonboom kan bellen. We zien ook rozen die door vrouwen worden gebruikt om te desinfecteren. En op een plek waar ze bomen hebben gekapt voor plantengroei staat een hele mooie bloem, waar heel even een kolibrie voor hangt. De prachtige blauwe vlinders (zo groot dat het wel vliegende boeken lijken) fladderen door het bos en lichten met hun fluoriserende kleuren op in het donker. Ook zien we in de modder bij een kreek nog sporen van een tapir. Maar verder is er niet veel wild te zien, want veel wild wordt hier voor gebruik in de dorpen afgeschoten.

Dan gaan we terug, want Wouter en Myrthe willen toch niet helemaal Freek worden (ook al zijn ze wel blij dat ze vandaag niet gewoon op school zitten). Wouter is inmiddels dikke maatjes met Ian geworden en mag zo nu en dan zijn kapmes vasthouden om planten door te slaan. Maar Hij moet ook zijn best doen om alles wat Ian vertelt over de jungle te onthouden want hij wordt samen met Myrthe steeds weer aan de tand gevoeld of ze wel onthouden hebben wat hij heeft verteld.Op de terugweg hebben we de paraplubladen echt nodig en komt er een stevige tropische bui over ons heen. We wandelen terug en worden door de korjaal opgepikt en terug naar het hotel gebracht. Daar krijgen we een lekkere lunch met bami, kip en komkommer.

Goed moment om Myrthe’s haar weer eens helemaal vlechtvrij te maken en te wassen. Wat een klitten zaten daarin. Misschien wil de vrouw die hier kookt er nog nieuwe vlechtjes in zetten. Echter daar komt niets meer van zodra de zoon van eigenaar Haidy met een vriend langskomt. Dan gaan de kinderen allemaal samen zwemmen, voetballen, dammen en schaken. Grappig dat ze zo met elkaar kunnen kletsen in het Nederlands hier midden in de jungle.

In de avond na het eten maken we met Ian nog een kaaimannentocht. De kaaimannen zijn ongeveer een meter lang en liggen langs de rivier. Je ziet hun ogen rood oplichten als je er met een zaklamp naar toe schijnt. Maar echt dichtbij komen we niet want dan vluchten ze het water in. Overdag zie je ze niet, dan liggen ze iets hoger in het struikgewas te rusten. Als we na 5 kaaimannen, vuurvliegjes, mist boven het water en een fraaie sterrenlucht terugkeren naar onze hut, is Wouter al in slaap gevallen en ontdekken we een huisdiertje in onze hut. We noemen hem snoepie, een lief muisje dat tussen onze spullen aan het snuffelen is.

Midden in de nacht valt er een van de latten onder de matras vandaan, wat een klap geeft dat! Maar gelukkig is het bed niet verder uit elkaar gevallen en kunnen we gewoon verder slapen. In de ochtend klopt Haidy op de deur. Hij wil afrekenen, blijkbaar heeft hij geld nodig om boodschappen te doen want hij gaat naar Paramaribo en de korjaal naar Atjoni ligt al te wachten om te vertrekken. We rekenen af voor ons totale verblijf.

Wij gaan na het ontbijt naar Pikin Slee, een Marrondorp iets hoger aan de rivier, ongeveer een kwartiertje varen. Daar zien we eerst hoe een korjaal wordt gebouwd. Deze wordt uit één stuk van een hardhouten boom gemaakt. Eerst wordt de boom uitgehakt, daarna wordt hij verhit/gebrand zodat het hout zacht wordt en ze hem wijder kunnen maken. Dan worden lange planken als zijkant samen met de knieën (half ronde spanten) tegen de uitgeholde bodem aangemaakt. Als laatste komen de stoeltjes erin. Klaar is hij 4000 SRD (1000 euro). En dan moet je voor nog eens zo’n zelfde bedrag een buitenboordmotor kopen om er mee te kunnen varen. Maar dan kan je er ook goed geld mee verdienen want een enkele reis kost zeventig SRD en er passen wel twaalf tot zestien mensen in de boot. De bootsmannen zijn hier dan ook het rijkst.

In het dorp, dat veel groter is dan we gedacht hadden (er wonen ongeveer vier duizend mensen), zien we diverse offerplaatsen, veel huisjes in oude stijl, maar vaak met golfplaten als dak ipv de oorspronkelijke dakbedekking uit het oerwoud. Er is een kunstenaar hard aan het werk om uit stukken hardhout bankjes krukjes en tafeltjes te maken. Ze zien er prachtig uit, jammer dat ik die niet mee kan nemen op de boot.

Ook zien we er een auto staan. Heel bijzonder want er is geen weg en daar kan je hier midden in de jungle niet veel meer mee dan door het dorp rondjes rijden. We vragen ons af hoe die hier gekomen is. Ian legt uit dat ze die op twee korjalen vervoeren. Je legt wat planken tussen twee korjalen en daar worden dan auto’s maar ook tractors mee vervoert. Ze doen dat alleen met hoogwater anders zijn de doorgangen in de rivier niet breed genoeg. Ongelooflijk, we vragen ons af hoeveel van die auto’s er vanaf vallen maar we hebben niks zien liggen, gaat blijkbaar dus meestal wel goed…

Dan gaan we naar het Saamaka Marron Museum van Pikin Slee. Bij de ingang staat een traditionele toegangspoort om het kwaad buiten te houden, een “Azan Pau”. Mannen lopen hier links onderdoor en vrouwen rechts. In het museum leren we hoe vrouwen en mannen gekleed gaan, als je nog niet getrouwd bent en daarna; hoe ze wonen en leven en over de regels en wetten zoals de Saramarcanen deze afspreken met de zelf gekozen Graama en Kapiten. Het is indrukwekkend hoe ze hier met toch zo veel mensen toch ook nog zo anders leven. Mannen hebben meerdere vrouwen, hoe meer vrouwen hoe meer aanzien. Voor elke vrouw moet er wel een huisje zijn en een stukje grond, een kostgrondje, om eten te verbouwen. Ongeveer een keer per week komt de man dan langs, hij wordt dan door de vrouw gewassen, krijgt te eten blijft een paar uurtjes slapen en vertrekt dan weer naar zijn eigen huisje. Verder de gebruiken over het offeren, de offerplaatsen “Faaka Pau”, en de goden. Zo moet je vooral niet iets uit het water pakken als je het voor de tweede keer opnieuw in het water hebt laten vallen. Dan wil de watergod het hebben en als je het dan opnieuw uit de rivier vist is het hommeles.

Het gekke is dan wel weer dat de winkeltjes veel westerse spullen verkopen. Zo lijkt iedereen wel een mobieltje te hebben. Er staan veel mobiele telefoonmasten en we kunnen overal bellen en internetten. Kennelijk is dat tegenwoordig belangrijker dan elektriciteit die er alleen ’s avonds is. Dus ook geen koelkasten of koud bier! Het afval verbranden ze zelf; ook weer iets minder gezien de hoeveelheid plastic van het verpakkingsmateriaal van de drankjes dat mee wordt verbrand en waarvan de as de lucht in gaat en vervolgens met de regen weer wordt opgevangen en als drinkwater wordt gebruikt! Maar aan de andere kant wonen er hier ook niet zo veel mensen…

Die middag hangen we verder lekker rond in het hotel en zwemmen de kinderen. Er komen meer gasten en we zien Reece en Anneke, die zelf ook een lodge hebben in Paramaribo en samenwerken met Conny en Haidy. ’s Avonds is het erg gezellig met zijn allen aan tafel. We kletsen wat af terwijl de kinderen in de hangmatten in slaap vallen. Gelukkig zijn ze later op de avond nog mee te bewegen naar onze hut even verderop, alhoewel Wouter er echt niet tegen kan om wakker gemaakt te worden. Dat mondt steevast uit in een stevige boze bui. Maar tegen de tijd dat we bij het huisje aankomen, met Wouter al spartelend en schreeuwend in de brandweergreep bij Roelof op de nek, is de boze bui al weer over en wacht onze huismuis Snoepie op ons. Liever Snoepie op de kamer dan de vogelspin die Pieter in zijn hotelkamer heeft. Dus wij vallen rustig in slaap.

Zondag 11 januari gaan wij weer terug naar Domburg. Na het ontbijt worden we uitgezwaaid bij Botopasie en Wouter belooft Ian dat als hij klaar is met school, hij nog een keer terug komt om ook het vak van gids te leren. Onderweg in de korjaal zie ik nog een kaaiman liggen op een strandje. De stroomversnellingen die we nu mee hebben zijn toch behoorlijk spannend voor de bootsman en de peddelaars voorin moeten af en toe even goed afduwen. Vijf uur later zijn we weer terug in Domburg. De accu’s zijn nog meer dan 90% vol, dus de zon heeft haar best gedaan. Het is een gezellig weerzien met Joce en Coen. Er is ook nog een Belgische solozeiler aangekomen. Later komen ook Retna en Akash nog langs en de kinderen spelen samen heel leuk het spel Mister X.

Morgen gaan we even wassen, bijkomen etc. en dinsdag gaan we samen met Howy richting Kabalebo voor een volgende reis naar het binnenland. Kortom we vermaken ons uitstekend in Suriname, wat zoveel verschillende gezichten heeft dat het ons blijft verassen.